Ontstaan in de zeventiger jaren van de vorige eeuw door kruising van Sebright krielen met krielen die voor het broeden van de Sebrights werden gebruikt.
Hieruit ontstonden enkelkleurige witte en zwarte hennenvederige krielen.
De witten werden in eerste instantie door de fokker, F. Verhagen uit Eindhoven, als Lichtstadkrielen op de Onetotentoonstelling van 1977 voor erkenning gebracht.
Op voorstel van de standaardcommissie is de naam gewijzigd in Eikenburgerkrielen naar de naam van de woonwijk van de fokker.
Het is een hennenvederige kriel dat wil zeggen dat bij de haan de sierveren in hals en zadel en de sikkels ontbreken.
Het lijkt veel op de stamouder, de Sebrightkriel, maar is wat minder rond van vorm.
De sierlijk gebogen borst wordt iets naar voren gedragen. Ze hebben een rozenkam en bruinoranje ogen.
De poten zijn vrij kort en leiblauw. Momenteel, is het ras erkend in twee kleurslagen namelijk wit en zwart.