Dit is het ras dat als laatste in de twintigste eeuw de lijst van de Nederlandse hoenderrassen kwam versterken.
Het is gecreƫerd in het dorp Schijndel (Noord Brabant) met het doel een kip met een eigen verschijningsvorm en eikleur te fokken.
Bij de ontwikkeling van de Schijndelaar is gebruik gemaakt van Araucana's, voor het verkrijgen van de olijfgroene eikleur, Sumatra's, voor de sierlijke vorm en staartpartij.
Australorps, voor de massa, Brabants Boerenhoen en Hollands Kuifhoen voor de kuif en witte Leghorns, voor de eiproductie.
Hieruit is een sierlijk, middelgrote fazantachtige kip ontstaan die momenteel, alleen erkend is in de witte kleurslag.
Het ras heeft een drierijige kam, een laag op de kop geplaatste kuif die de schedellijn volgt, oranje tot oranjerode ogen en gele loopbenen.
De staart is rijk bevederd en wordt ongeveer horizontaal gedragen.