Dit ras is in het grensgebied van Twente en de Duitse graafschap Bentheim ontstaan.
In 1884 verschenen de Twentse Hoenders voor de eerste keer op de tentoonstelling.
Vanaf 1919 presenteerden zij zich regelmatig op de Nederlandse en Duitse tentoonstellingen onder de naam Kraienköppe.
Om verwarring met de veel oudere Kraaikoppen te vermijden is in ons land de naam gewijzigd in Twentse Hoenders.
Voor het ontstaan van dit ras moeten we terug naar de jaren 1850-1860.
Toen werden in Twente regelmatig Maleier hanen gekruist met de daar aanwezige landhoenders.
De daaruit gefokte hanen kregen bekendheid als "Biethauner" (Bijthoenders), die zeer in trek waren als vechthanen.
De Twentse Hoenders vallen nog steeds op door hun vechthoenachtige houding.
Het ras heeft een walnotenkam, gele benen, en is bij de grote Twenten erkend in vier kleurslagen: patrijs, zilverpatrijs, blauwpatrijs en blauwzilverpatrijs en bij de krielen in de kleuren patrijs, zilverpatrijs en roodgeschouderdwit.